KET-les Activering cursisten 2 Beurten geven

Casusbeschrijving

De volgende vier fragmenten komen uit verschillende lessen. In alle fragmenten wordt klassikaal iets besproken of gelezen, waarbij de docent de beurten verdeelt.

Lesfragmenten


Fragment 1

De groep staat in dit fragment stil bij het enkelvoud en het meervoud. De cursisten hebben een dictee gemaakt en de groep bekijkt nu klassikaal of deze zinnen in het enkelvoud of het meervoud staan. Vervolgens zetten ze de zin om in de andere vorm.
D: “Zijn de woorden in het enkelvoud of in het meervoud?”
De cursisten roepen van alles.
D: “We gaan kijken, de eerste zin, staat die in het enkelvoud?”
De cursisten roepen door elkaar.
D: “Mensen, graag even je vinger omhoog, anders wordt het zo druk.”
D: “Koopt hoort bij zij. Wie kan daar meervoud van maken?”
C₁ geeft antwoord en de rest wacht af wat C₁ gaat zeggen. De docent lacht en zegt tegen C₁ dat hij zo snel is dat hij het al weet. Bij de tweede zin geeft de docent expliciet aan dat C1 even niet moet antwoorden. Ze gaan door naar de volgende zin en weer roepen de cursisten het antwoord. De docent geeft 1 cursist de beurt. Dat doet hij bij de daarop volgende zinnen ook. Hij geeft telkens één cursist de beurt en vraagt daarbij: “C, is het enkelvoud of meervoud? Kun je er meervoud/enkelvoud van maken?”


Fragment 2

De groep bespreekt in dit fragment een aantal meerkeuzevragen dat bij een leestekst is gemaakt. De cursisten zitten in een carré-vorm en ze beantwoorden op volgorde van plek om de beurt een vraag. De cursist leest steeds de vraag voor en geeft dan zijn eigen antwoord.
C₁ leest de eerste vraag voor en geeft haar antwoord. De docent geeft een compliment en vraagt aan de rest of dit het goede antwoord is.
C₂ leest de volgende vraag en geeft haar antwoord. De cursisten sputteren tegen bij de zin die C₂ als antwoord voorleest.
D: “Je hoort dat ze het niet allemaal met je eens zijn, hè? Wat zie je op het plaatje? Wat staat er bij antwoord A en wat bij antwoord B?”
De docent leidt C₂ naar het juiste antwoord. C₃ doet de volgende vraag. De docent geeft daarna een nieuwe beurt en C₄ leest de daarop volgende vraag voor. C₄ komt er niet uit. C₅ begint te lachen.
De docent grijpt in en zegt: “Dat vind ik niet leuk. Als C₄ er niet uitkomt, vind ik dat niet om te lachen.”
C₅ biedt haar excuses aan. C₄ gaat verder met het beantwoorden van de vraag. De docent geeft C₄ ondertussen een compliment: “Keurig, prima.”
Daarna  controleert ze of iedereen het goed heeft: “Heeft iedereen dit?”
Zo gaat de groep de 10 vragen van de opdracht langs.


Fragment 3

De groep leest gezamenlijk een tekst. Tussendoor staan de docent en de cursisten samen stil bij de moeilijke woorden uit de tekst en geeft de docent een samenvatting van het tot dan toe gelezen stukje. De docent geeft de cursisten willekeurig beurten om een stuk te lezen. C₁ begint met lezen.
D: “Prima, dankjewel. Zijn er moeilijke woorden?”
De cursisten blijven stil. De docent geeft vervolgens een samenvatting van het gelezen stukje en geeft de volgende cursist de beurt om te lezen. C₂ leest een passage (goed en snel).
D: “Prima, lees maar verder.”
C₂ leest verder.
D: “Meer!”
C₂ leest verder. C₃ vraagt naar de betekenis van een moeilijk woord. De docent legt het woord uit en geeft vervolgens een samenvatting van het gelezen stukje. C₄ leest daarna verder. Zo lezen de docent en cursisten de gehele tekst voor ze naar de vragen gaan kijken.


Fragment 4

De groep leest gezamenlijk een tekst. De cursisten lezen om de beurt een paar zinnen. De docent geeft de beurt steeds door aan een volgende cursist om te lezen. Na het lezen van de tekst kijken ze gezamenlijk nog naar de betekenis van de moeilijke woorden uit de tekst. C₁ begint met lezen.
D: “Goed gelezen, dankjewel.”
C₂ krijgt de beurt voor het volgende stukje. In de tekst zitten een paar lastige woorden. C₃ helpt C₂ om haar een moeilijk woord te laten uitspreken. De docent grijpt in en zegt tegen haar: “Ik vind het lief dat je helpt, maar je moet ook anderen de gelegenheid geven om zelf te oefenen met de woorden.”
De docent laat C₂ de zin nog een keer herhalen. Daarna gaat de beurt naar een volgende cursist om te lezen. Zo leest de groep de hele tekst. Daarna bespreken ze samen de moeilijke woorden.
D: “Kijk eerst zelf nog even naar de tekst. Welke woorden vind je lastig?”


Reflectievragen - Activering cursisten

De docent weet de cursisten te stimuleren en te motiveren.

Over dit fragment:

  1. Lees de verschillende fragmenten. Hoe actief zijn de cursisten in de verschillende fragmenten met taalverwerving bezig? Om deze vraag te beantwoorden, kun je de volgende hulpvragen beantwoorden: Doet iedereen mee? Denkt iedereen mee? Leert iedereen?  Op de punten waar je de deelvragen met ‘nee’ zou beantwoorden, wat zou je kunnen aanpassen om de vragen vervolgens met ‘ja’ te beantwoorden?
  2. In de fragmenten geeft de docent op verschillende manieren beurten. Bekijk de verschillende manieren. Waar worden cursisten gestimuleerd en gemotiveerd om te leren? En waar juist niet?
  3. Is er een verschil per niveau/groep voor het geven van beurten? Wat doe je bijvoorbeeld wel in lagere taalniveaus, en niet in hogere? Of is er geen verschil?


Je eigen lespraktijk:

  1. Geef je in je eigen lessen beurten? Hoe doe je dit? Doe je dit vaak op dezelfde manier of wissel je dit (bewust) af? Waar let je in dat geval op of houd je rekening mee?
  2. Vind je dat het geven van beurten een geschikte manier is om betrokkenheid van cursisten te bevorderen? Waarom wel/niet? Welke manier gebruik je naast het geven van beurten om deze betrokkenheid te bevorderen?
  3. Welke tips kun je formuleren om cursisten actief te betrekken bij dit soort (klassikale) activiteiten rond teksten?

 

Je kunt dit fragment ook nog bekijken vanuit het didactisch aspect  Werkklimaat.