KET-les Feedback 4 Logboek

Casusbeschrijving

Deze passage komt uit een les aan alfa-cursisten en speelt zich af aan het einde van de les. De cursisten zijn op veel verschillende manieren bezig geweest met de taal. Ze hebben in kleine groepjes gewerkt, en onder leiding van de docent hebben ze het klokkijken herhaald en uitgebreid en oefeningen rond verstaanbaar spreken gedaan. In de laatste minuten van de les blikt de docent met de cursisten terug op de les. Dit doen de cursisten aan het einde van elke les. Ze gebruiken hier een logboek voor.

Lesfragment

D: “De les is bijna klaar. We gaan nog even samen werken, allemaal samen. Jullie hebben goed gewerkt. Iedereen doet volgende week een toets.”
CC: “Ja, ja, is goed.”
D: “Wat heb je vandaag geleerd? Wat hebben we voor de pauze gedaan? Wie weet dat nog?”
C1:”Praten, goede zinnen maken.”
C2: “Ja, is belangrijk.”
D: “Precies, we hebben geoefend met goede zinnen maken. Nu wil ik weten: wat is nieuw in je hoofd gekomen vandaag? Wat heb je vandaag precies geleerd?”
De docent deelt het logboek uit.
D: “Kijk, een nieuwe bladzijde voor je logboek. Schrijf je naam erop.”
[De cursisten krijgen een lege pagina, waar een paar vakjes op staan: naam, datum, ‘wat heb ik gedaan?’, ‘wat heb ik geleerd?’]
De cursisten schrijven hun naam in het goede vakje. De cursisten die het nog niet zo goed kunnen, worden door hun buurman of buurvrouw geholpen.
De docent loopt rond en kijkt of het goed gaat, maar assisteert zo min mogelijk.
D: “We gaan nu denken wat we vandaag hebben gedaan en wat je hebt geleerd. Wat hebben we allemaal gedaan deze les?”
C1:” Praten en schrijven.”
C3:” Ook met de klok, kijken. Hoe laat is het?”
C4: “Ik ook heb luisteren gedaan met de cd. Moet goed oefenen.”
D: “Ja, prima. Goed zo, jullie weten het nog goed. Ik ga nu in je logboek schrijven wat je hebt gedaan. En jij bedenkt wat je hebt geleerd. Dat moet je zelf opschrijven, net als vorige week.”
De docent begint bij C1 en vraagt wat hij heeft gedaan. Ze schrijft op ‘adres schrijven’. C1 denkt na wat hij heeft geleerd bij de schrijfopdracht. Hij schrijft op ‘mij adres got sgreive’. De docent is ondertussen bij C2, die ook de oefening van het adres heeft gedaan. C2 schrijft op ‘housnumer nu wete’. C3 schrijft achter ‘klokkijken’ op:’ het is 3 uur. Het is half 5’. Zo gaat de docent alle cursisten langs. Iedereen bedenkt zelf iets wat hij heeft geleerd.
D: “Stop de bladzijde in je logboek. Kijk nog eens wat je in de vorige les hebt geleerd. Weet je dat nog? Soms moeten we het nog een beetje herhalen. C3, wat wil jij nog een keer oefenen?“
C3 : “Moet nog beter leren met mij naam en adres.”
C4 : “Ik weet nog niet goed de tegenstellingen.”
D: “Ja, dat is ook moeilijk. We gaan dat nog vaak oefenen, elke les.”
De cursisten stoppen de bladzijde in de map (soms met hulp van de buurman of buurvrouw) en bladeren naar de vorige bladzijde en lezen wat ze hebben geschreven. De meesten knikken instemmend, praten er heel kort met elkaar over. Een paar snappen niet zo goed wat ze geschreven hebben of hebben moeite de opdracht goed te begrijpen.
D: “Heel goed gedaan allemaal. We kijken of je het de volgende les nog weet.”
Zij neemt de logboeken weer in en sluit de les af.

Reflectievragen - Feedback

De docent geeft de cursisten adequate feedback op het taalleerproces.

In dit fragment:

  1. De docent laat in dit fragment cursisten op de les terugkijken. Wat beoogt de docent hiermee, denk je?
  2. In hoeverre slaagt de docent erin om cursisten inzicht te geven in wat goed gaat en wat nog niet zo goed gaat?
  3. Krijgen cursisten op deze manier inzicht in hun eigen leerprestaties? Waarom wel/niet?

Je eigen lespraktijk:

  1. Kijk je met je cursisten ook terug op de les of een lesonderdeel? Hoe pak je dat aan?
  2. Dit voorbeeld komt uit een les aan alfa-cursisten. Is deze manier van feedback geven voor alle doelgroepen geschikt? Welke aanpassingen zou je eventueel doen?