KET-les Didactiek woordenschat 2 Kleding

Casusbeschrijving

Deze passage komt uit een les aan laagopgeleiden ex-analfabeten en anders-gealfabetiseerden. In totaal zijn er 20 cursisten die aan het begin van de les allemaal samen rondom een grote tafel zitten. Er zijn twee docenten aanwezig. De les begint met een kort klassengesprek. De (hoofd)docent bespreekt vervolgens met iedere cursist het programma voor die dag. Na het gezamenlijke begin gaan cursisten individueel of in groepjes van twee/drie aan hun eigen doel van die dag werken, hetzij in het klaslokaal, hetzij elders (bibliotheek, computerzaal. De cursisten zijn daar vrij in, zij zoeken zelf een geschikte plaats, bron of persoon om de benodigde informatie te verkrijgen en te oefenen). De docenten lopen rond. Zij kijken hoe het gaat, of iedereen aan het werk is of helpen mensen op gang. Ze houden in de gaten of men verder kan en geven aanwijzingen daartoe, beantwoorden vragen etc. Dit duurt tot de pauze. Na de pauze verzamelen alle cursisten zich weer in het centrale lokaal en presenteren om beurten de resultaten van hun werk voor de pauze. Tijdens die presentatie vindt de volgende passage plaats.

Lesfragment

D: “C₁, jij moest woorden leren die over kleding gaan. Je moest ook vijf zinnen ermee schrijven. Geef je blaadje met die zinnen maar aan C₂ en kom maar voor het bord. C₂ dicteert jouw zinnen, jij schrijft ze op het bord. Alle anderen kijken mee en letten goed op.”
C₁ lacht en doet vrolijk wat haar opgedragen is.
C₂: “Ik begin hé? Goed luisteren hé? Mijn jas is vies.”
C₁ schrijft: Men jas is vies.
C₂: “Moet met ij. Van ijs.”
C₁ verbetert: Men > Mijn.
D: “Goed gedaan allebei.”
Dan, tegen de hele groep: “Begrijpen jullie allemaal deze zin?” Daarbij spreekt zij één cursiste direct aan: “C₃ begrijp jij deze zin?”
De cursisten leggen, door elkaar sprekend, uit: “Jas heb je buiten aan.” “Dit is mijn jas.” “Vies is vies, moet wassen, met koffie op geknoeid of zo.”
D: “Goed zo. Als je koffie knoeit, kijk zo [giet uit een bekertje een beetje koffie op een blaadje], is het vies. C₃, wijs jij je jas eens aan? Goed zo, dat is je jas. C₂, ga maar verder met de volgende zin.”
C₂ dicteert de tweede zin.
C₁ schrijft: Ik heb jork aan.
D: “Is deze zin goed C₄?”
C₄: “Denk het wel.”
D: “C₄ vindt deze zin goed. Vinden de anderen dat ook?”
De cursisten zeggen:  “Nee, jork is niet goed. Moet … [Docent onderbreekt]
D: “Dat klopt, jork is niet goed.” Geeft C₄ een beeldwoordenboek. “Zoek het maar op. Of weet je het zelf C₁?”
C₁ maakt van de o een u op het bord.
D: “Is het nu goed, C₄?”
C4 knikt.
D: “Laat eens zien. Heb je het gevonden? [C₄: wijst aan in het woordenboek]. Oké. Ga maar verder met het dictee.”
C2: “Volgende zin: Kaan je koop en broek van jouw man?” [C₂ zit naast de tweede docent. Die geeft de aanwijzing dat ze precies moet lezen wat er op het briefje staat, en nog niets mag veranderen.]
Weer wordt aan de overige cursisten gevraagd of dit goed is. Dit levert op dat ‘kaan’ wordt veranderd in ‘kan’ en ‘en’ in ‘een’.
D: “Nu zijn alle woorden goed gespeld, goed geschreven. Maar zijn alle woorden ook goed?”
Dit levert niet meteen iets op.
D: “Wanneer zeg je ‘van jouw man’?”
Verschillende cursisten antwoorden: “is van hem, is zijn broek.” “Man is verkoper. Ik koop een fiets van mijn buurman, gisteren.”
D: “Ja, dat is allebei goed. Dus jullie vinden ‘van’ hier niet het goede woord. Wat moet het dan zijn?”
Dit levert uiteindelijk de correctie ‘voor’ op. Ten slotte legt de docent zelf nog uit dat ‘koop’ nog moet veranderen in ‘kopen’, en dat het achteraan moet staan. Als de zin helemaal gecorrigeerd is, moet C₁ zelf de zin een paar keer helemaal voorlezen.
Bij de vijfde zin (Vind jij hoed mooi?) stellen de beide docenten vragen:
D: “Is het goed? Ik mis nog wat. Klinkt het goed?”
Dit levert op dat er ‘jouw’ wordt toegevoegd.
D: “Kan er ook nog wat anders tussen?” Geen antwoord.
D: “De" kan er ook nog tussen.”
De docent complimenteert C₁: “Goed gedaan! Je zinnen gaan goed. Schrijf de goede zinnen straks over in je schrift.”

Reflectievragen - Didactiek woordenschat 

De docent zorgt ervoor dat de cursist voldoende woorden leert. De woorden zijn relevant voor zijn niveau en leerroute.

Over dit fragment:

  1. Kun je aangeven welke delen van de viertakt van het woordenschatonderwijs: voorbewerken, semantiseren, consolideren en controleren, aanwezig zijn in dit lesfragment? Kun je aangeven hoe de verschillende onderdelen geïmplementeerd worden?
  2. De docent selecteert de woorden die de cursist moet leren niet, zij geeft alleen het domein aan. De cursist selecteert en werkt zelfstandig aan de uitbreiding van de woordenschat. Ook geeft de docent niet aan welke woorden passief dan wel actief geleerd moeten worden. Wat vind je daarvan?
  3. C₁ moet de woorden over kleding leren. Kun je aangeven wat het leerrendement van dit lesonderdeel is voor de overige cursisten?

Je eigen lespraktijk:

  1. Hoe bepaal je in je eigen lessen welke woorden geleerd moeten worden?
  2. Maak je onderscheid tussen actief en passief te leren woorden?
  3. Zorg je dat de delen van de viertakt van het woordenschatonderwijs: voorbewerken, semantiseren, consolideren en controleren, aanwezig zijn in je lessen? Geef een voorbeeld van een recente les.

 

Je kunt dit fragment ook nog bekijken vanuit het didactisch aspect Feedback.